Redder van de tiende Muze (2016)


Het verleden spreekt boekdelen
Peter Bosma (september 2016, circa 1600 woorden)
 
Het EYE Film Instituut Nederland is uitgegroeid tot een dynamisch ‘Huis van de Film’, met een spectaculair presentatiegebouw op de Noordoever van het IJ (sinds 2012) en een gloednieuw collectiegebouw op loopafstand, dat in het najaar van 2016 geopend zal worden. De huidige bezoeker kan op dit moment vele kanten op in het domein van EYE, fysiek of virtueel. Uiteraard zijn er nog genoeg idealen te verwezenlijken, maar een lange lijst van prioriteiten is nu afgevinkt, na vele jaren van inspanning.

De basis voor het actuele succesverhaal werd precies zeventig jaar geleden gelegd. Een dergelijk rond getal is een goede aanleiding voor een terugblik. Hoe is het allemaal ooit begonnen, wat gebeurde er precies in de jaren direct daarna en hoe kunnen we deze historische ontwikkelingen beoordelen? De belangrijkse motivatie om aandachtig naar de gebeurtenissen in het verleden te kijken is de vraag welke aantoonbare invloed het verleden heeft op de situatie in het heden. Deze vragen worden in het boek ‘Redder van de tiende muze: Jan de Vaal en het Nederlands Filmmuseum 1946-1987’ op een overzichtelijke wijze beantwoord. Er is veel te vertellen, want het verleden spreekt boekdelen.
 
De aanloop
Het hoofdstuk over de vooroorlogse periode bestaat uit drie lagen:  een beknopte beschrijving van de familiesituatie en opleiding van Jan de Vaal (geboren in 1922), een genuanceerde schets van de Nederlandse filmcultuur en een situering hiervan in de internationale context. Het is een verhaal over een enthousiaste en nieuwsgierige jongeman die bezeten is van film. In het vooroorlogs Nederland is hij hiermee duidelijk een buitenbeentje, want het besef van de waarde van het filmerfgoed ontbreekt grotendeels. In het Interbellum overheerst een algemene onverschilligheid bij overheid en professionals. De spaarzame initiatieven op het vlak van filmarchivering versplinteren en verdampen door verschil van opvattingen.
 
Internationaal gezien daarentegen ontstaan wel de eerste filmarchieven, waarbij sprake is van drie verschillende soorten voedingsbodems: ofwel voortkomend uit filmclubs (zoals in Frankrijk, Zweden en later België), ofwel ondersteund door de overheid (Duitsland, Sovjet-Unie, Engeland), ofwel als initiatief van kunstmusea (zoals in New York).
 
Je zou kunnen zeggen dat het Nederlands Filmmuseum in de late jaren veertig ontstaat uit een merkwaardige mengeling van alle drie deze opties. Er was namelijk sprake van de erfenis van de Filmliga (hun filmcollectie en de jaargangen van hun tijdschrift), maar de overheid had ook een verzameling films opgebouwd en daarnaast had het Stedelijk Museum in Amsterdam onder leiding van Willem Sandberg belangstelling ook filmkunst te presenteren. Helaas was er sprake van rivaliteit tussen verschillende ambitieuze initiatieven. De onderlinge naijver en verdeeldheid leverde een redelijk chaotische situatie op, die in het boek helder uiteengezet wordt. De sympathie van de auteur ligt duidelijk bij Jan de Vaal, maar de beschrijving van de historische situatie gebeurt toch genuanceerd en is degelijk gedocumenteerd. De stofwolken trokken in 1952 enigzins op met de oprichting van de stichting Nederlands Filmmuseum, maar een nationaal filmarchief is er nooit gekomen. 
 
Veertig jaar verzamelen, bewaren en vertonen
Een filmmuseum heeft drie hoofdtaken: acquisitie, beheer en presententatie van de collectie, ofwel verzamelen, bewaren en vertonen. Daarnaast is er de aanvullende opdracht van onderzoek en educatie te onderscheiden. Deze kerntaken zijn door Jan de Vaal en zijn team met verve uitgevoerd gedurende vier decennia, maar dat ging allemaal niet gemakkelijk. Het boek biedt geen klaagverhaal, maar schetst wel heel concreet de barre omstandigheden.
 
In 1946 ontbrak elk soort van faciliteit: geen gebouw, geen geld, geen personeel, geen formele collectie. Na veertig jaar was veel vooruitgang geboekt. Er was in de tussenliggende tijd een zeer uitzonderlijke collectie opgebouwd van een breed assortiment films, foto’s, affiches, documenten en apparaten.
 
Wat het beschikbare budget betreft bleef het echter lange tijd armoe. In 1948 kreeg de voorloper van het Nederlands Filmmuseum bijvoorbeeld voor de eerste keer een schamele 10.000 gulden subsidie van de rijksoverheid en dit bedrag werd in 1949 verlaagd naar 8.000 gulden. Onbegrijpelijke bezuinigingen op cultuurinstellingen blijken dus helaas van alle tijden te zijn. In 1987 schommelde de subsidie rond de 2,5 miljoen gulden. Dit lijkt een aanzienlijk bedrag, maar de uitvoering van de beheerfunctie is hiermee toch nauwelijks gedekt, want conserveren en restaureren van filmmateriaal vergt grote investeringen. 
 
Een van de basisvoorwaarden voor het functioneren van een filmmuseum is te kunnen beschikken over een deugdelijke filmkluis. De geschiedenis van de verwerving hiervan kenmerkt zich door veel tijdelijke oplossingen, pas in 1976 werd een definitieve locatie voor een verantwoorde opslag gevonden. De presentaties van het Filmmuseum waren twintig jaar lang beperkt tot twee keer per week filmvoorstellingen in de spartaanse aula van het Stedelijk Museum. Pas in oktober 1975 kon het Vondelparkpaviljoen in gebruik genomen worden, met een echte filmzaal waar een volledige weekprogrammering geboden werd. Het paviljoen had slechts de status van hoofdvestiging, want het Filmmuseum bleef tot in de 21e eeuw verdeeld over ruim vijf locaties.
 
Wat het personeel betreft werd de formatie in de loop der jaren wel aanzienlijk uitgebreid, maar een hoge werkdruk en lage lonen bleven constante factoren. Het boek is dan ook terecht opgedragen aan ‘alle personeelsleden en medewerkers, betaal en onbetaald, van het Nederlands Filmmuseum (NHFA, NFM en EYE)’.
 
Evaluatie van de pionier Jan de Vaal
De onderliggende rode draad in het boek is aan te tonen dat de eerste directeur van het Filmmuseum veel bereikt heeft en dat hij een veelzijdig aanbod heeft neergezet. De feiten staan keurig op een rij en spreken voor zich. Jan de Vaal had een brede en onbevooroordeelde smaak, zodat het hele scala van filmproductie welkom was in de collectie en in de filmzaal. Het boek bevat ook kleurrijke anecdotes rondom zijn contacten met diverse filmverzamelaars. Op deze manier werden diverse unieke Nederlandse films gered, zoals onder andere Jonge Harten (1935), Zeemansvrouwen (1930) en De Zwarte Tulp (1921), maar ook een unieke kopie van bijvoorbeeld Downhill (Hitchcock, 1927). De collectie bevat naast films ook foto’s, affiches, boeken en documenten. Zijn programmering bevatte een mooie balans van klassiekers en avant-garde, vroege cinema en premières, binnenlands en buitenlands. Hij stimuleerde jong filmtalent en beschermde het erfgoed van Nederlandse meesters. Een speciale plaats werd ingeruimd voor Joris Ivens, wat destijds allerminst vanzelf sprak. De Nederlandse overheid beschouwde hem immers als landverrader, in 1950 werd zelfs zijn paspoort afgenomen. Vanuit het heden gezien is dit een verbluffend extreme ingreep. Pas vele jaren later volgde formeel eerherstel.
 
Jan de Vaal hield strikt vast aan de internationale richtlijnen van filmarchieven, dit betekende dat films alleen voor niet-commerciële voorstellingen beschikbaar waren. Daarnaast was hij zuinig op zijn collectie, films waar slechts 1 archiefkopie van beschikbaar was  werden niet uitgeleend (in tegenstelling tot het beleid van het filmmuseum in Parijs en Brussel). Achteraf gezien is dat een gouden greep geweest, want de collectie van het Nederlands Filmmuseum behoort nu tot de internationale eredivisie, zoals elk jaar blijkt bij filmerfgoed-festivals zoals ‘Le Giornate del Cinema Muto' (Pordenone) en ‘Il Cinema Ritrovato’ (Bologna). Jan de Vaal maakte zich met zijn strikt archiefbeleid echter niet populair bij zijn tijdgenoten. In de jaren tachtig piekte de kritiek zodanig dat een directiewisseling noodzakelijk werd. Het afscheid werd helaas een traumatische ervaring voor hem. Hij overleed in 2001 en heeft dus veertien jaar met gemengde gevoelens gezien hoe het verder ging met het Nederlands Filmmuseum. Gelukkig heeft hij nog wel kunnen meemaken dat zijn verdienste voor het behoud van het Nederlands filmerfgoed erkend werd. In 1994 ontving Jan de Vaal het ‘Gouden Kalf voor de Cultuurprijs’ tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht. In 1996 werd een hommage aan Jan de Vaal gepubliceerd in de themareeks van het Nederlands Filmmuseum, met als titel ‘Een stoere ridder tegen de filmvernietiging’.  Een jaar later werd ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag een Liber Amicorum gepubliceerd. Toch biedt het huidige boek het eerste volledige overzicht van de beslissende rol die hij heeft gespeeld bij het vestigen van het Nederlands Filmmuseum.
 
Een geslaagde publicatie
Het boek ontlokt bij mij vooral complimenten, want het biedt een zorgvuldig gedocumenteerde geschiedschrijving van de eerste veertig jaar van het Nederlands Filmmuseum en een levensbeschrijving van de eerste directeur, Jan de Vaal.
 
Auteur André Stufkens raadpleegde voor deze combinatie van bedrijfsgeschiedenis en biografie vele bronnen, interviewde enkele direct betrokkenen, zocht prachtige illustraties bij elkaar en werkte samen met een redactieraad. Het boek heeft een aanlooptijd van circa twintig jaar gehad, hierdoor geeft het eindresultaat een afgewogen beeld van zowel het instituut als de grondlegger hiervan. De veelzijdigheid van de collectie van het Nederlands Filmmuseum wordt prachtig gepresenteerd door de vele illustraties, die getuigen van een zorgvuldige beeldredactie met als pluspunt het gebruik van een grote bladspiegel. Daarnaast bevatten de omvangrijke beeldkaternen ook veel uniek fotomateriaal waarmee een blik achter de schermen wordt gegeven. Het boek is als geheel een waardevolle aanvulling op bestaande publicaties.
 
De bijlage bevat een overzicht van de filmprogrammering in de eerste veertig jaar van het Nederlands Filmmuseum (6.761 filmtitels) en een lijst van de tientallen tentoonstellingen die georganiseerd zijn in deze periode. Bij het boek zit ook een dvd met films en reportages, ruim twee uur aan relevant beeldmateriaal dat slechts zelden te zien is.
 
Met dit boek kunnen we de komende jaren goed vooruit. Mijn aanvullende suggestie is de gebruikte tekstbronnen te digitaliseren. Het zou handig zijn om de artikelen uit Vrij Nederland, Skrien en Skoop als een gratis toegankelijke leesmap online te zetten, samen met de jaarverslagen van het Nederlands Filmmuseum en overige relevante bronnen.
 
Daarnaast lijkt het mij onvermijdelijk de tijdslijn voort te zetten en ook een gelijkwaardige publicatie te maken over de geschiedenis van het Nederlands Filmmuseum in de periode vanaf 1988 tot 2016. Ook dit meer recente verleden spreekt boekdelen.
 
Stufkens, André (2016) Redder van de tiende muze: Jan de Vaal en het Nederlands Filmmuseum 1946-1987. Utrecht: Uitgeverij IJzer.